Rutte’s povere populisme

Aad Gooidiep blogt soms over Nederlandse toestanden. Zoveel blijkt al uit dit blog.
En wat uit zijn blog niet blijkt, daarover wil hij blijkbaar niets kwijt.

Populisme: dat woord wordt “gedemoniseerd”, aldus de minister-president. In Buitenhof (15/1, 36’) onderscheidde hij “goed” van “slecht” populisme. Goed: de politicus die er is “voor het volk”, slecht: de politicus die wel roept dat hij er is voor het volk, maar niet komt met oplossingen.

Niet meer dan een etiket, volgens Rutte. Alsof dat woord “etiket” de dingen bij toverslag doet verdwijnen. Want we kunnen er lang over bekvechten hoe we populisme exact moeten definiëren — maar het is toch een ingeburgerd historisch en politicologisch begrip met een paar relevante kenmerken. Geen oplossingen bieden is er misschien één van, hoewel de typische populist het eerder zoekt in pseudo-oplossingen (zoals het aanwijzen van een zondebok).

Daarbij heeft populisme geen vaste ideologische kern — rechts of links, maar wel een kader of manier van denken.* “Het volk” staat tegenover “de elite”. Het volk is puur; de elite is corrupt. “Het volk” hoeft niet etnisch gedefiniëerd te zijn. Iedere meerderheid kan als het zo uitkomt voor “het volk” doorgaan. “Het volk” is, als meerderheid, per definitie eensgezind; afwijkende meningen worden toegeschreven aan de corrupte elite, een ander volk, of een gestigmatiseerde groep. Omdat het volk eensgezind is, kan het zijn wil uitspreken in “directe democratie” (bijvoorbeeld, door middel van referendums). Daarmee worden minderheidsbelangen verwaarloosbaar, bestuurlijke compromissen suspect.

Is Rutte nu gewoon onnozel of opportunistisch, met zijn populisme light? Onnozel is niet waarschijnlijk. Wanneer de oppositie wil morrelen aan de begroting voor het koningshuis verwerpt hij dit zelf als “verkiezingsretoriek en puur populisme”. Opportunistisch dus. Hij wijst wèl de PVV als coalitiepartner af, maar weigert die afwijzing te baseren op een dieper gaande analyse of principieel standpunt. Of in te gaan op de “bedreigingen van de democratie” die (zoals interviewer Pieter Jan Hagens opmerkte) het hoofdthema vormden van Obama’s afscheidstoespraak: schrijnende ongelijkheid, racisme, eenzijdige informatie, en een verarming van de politieke dialoog.

* De consensus onder politicologen en historici is dat populisme omschreven kan worden “als een dunne ideologie of wereldbeschouwing waarin de kloof tussen volk en elite centraal staat, en waarin het volk als betrekkelijk homogeen wordt gezien […] en de elite wordt verdacht van het zelfzuchtig en corrupt najagen van eigen belangen. Om de kloof te dichten en de volkswil te laten zegevieren, pleiten populisten doorgaans voor invoering van referendum en volksinitiatief, of directe verkiezing van bestuurders.” Paul Lucardie en Gerrit Voerman, Populisten in de polder (Meppel 2012), 16.