Englishblackbird drinking© Lodewijk Muns 2018

De merel in onze achtertuin is een bezeten zanger. Hij begint de dag met een aubade van 5 tot 6. Daarna volgen, met onregelmatige tussenpozen, meerdere recitals.

Hoezeer ik er ook van houd om wakker te worden met de muziek van Moeder Natuur, er is iets irritants aan zijn concerten. Het is de herhaling van een klein aantal motieven of frasen. Of eigenlijk, van één daarvan in het bijzonder.

Van zijn drie meest gebruikte motieven bestaat er één uit vier tonen, die bijna perfect passen in de menselijke majeurtoonladder (twee stijgende kwarten: sol do la re). Het tweede is wat minder opvallend, en lijkt een beetje op het begin van het Mexicaanse La cucaracha (sol do mi, gewoonlijk herhaald, zoals in het lied).

Maar het is het derde motief dat me een beetje op de zenuwen werkt. Het bevat een stijgende aanhef, gevolgd door een figuur die naar beneden glijdt. Het wordt regelmatig herhaald, na een aantal meer variabele motieven, en valt op door zijn neerwaartse, “concluderende” einde. De meeste andere motieven eindigen met een opwaartse, ietwat vragende wending. In mijn verbeelding is het vast geassocieerd geraakt met de Franse woorden tapis ridicule, uitgesproken met een lange Amerikaanse “bunched” r. Belachelijk tapijt, uitgeroepen met een greintje spot.

Merelzang en omgevingsgeluiden. Aan het begin “sol-do-la-re”, gevolgd door “tapis ridicule” (00:08), dat aan het eind herhaald wordt. Een variatie op “La cucaracha” bij 00:28.

Zoals gebruikelijk bij merels, laat hij op een gefloten motief met duidelijke toonhoogten meestal een onharmonisch gekwetter volgen, dat dan vaak het ritme en de contour van het voorgaande motief herhaalt. Als je dit buiten hoort is het verbazend hoe de ruimtelijke kwaliteit verandert: de fluittonen zijn scherp gelocaliseerd, komend vanuit de nabije boom, terwijl het gekwetter door de ruimte verspreid lijkt, niet traceerbaar. Misschien is dat ook juist de functie ervan – de ruimtelijke aanwezigheid van het dier te vergroten. De povere opname van mijn telefoon kan dat natuurlijk niet weergeven.

Ik geef toe dat een deel van mijn irritatie door dit motief te wijten is aan mijn eigen neiging om dit te associëren met die woorden, tapis – rrridicule.

Het gebruik van woorden (of quasiwoorden) om vogelzang te “transcriberen” is gangbaar onder vogelaars. In mijn vogelgids worden de verschillende alarmkreten van de merel weergegeven als pok, srrri, tsjack-ack-ack, and plie-plie-plie-plie-plie. Zoals bekend danken sommige vogels hun populaire namen aan een dergelijke onomatopee: koekoek, kieviet, tjiftjaf. De stap van betekenisloze klankwoorden naar echte woorden wordt soms voor de grap gemaakt. Zo schreeuwt de Amerikaanse oehoe (in het Engels) Are you awake? me too; de rosse spotlijster roept Drop it, drop it, pick it up, pick it up; en de Noordamerikaanse witoogvireo Spit and see if I care, spit!

Dergelijke “transcripties” maken gebruik van bepaalde wetmatigheden waarmee we spraakklanken waarnemen, in het bijzonder klinkers en halfklinkers. We zijn geneigd deze te horen als hoger en lager, volgens een dalende reeks i-e-a-o-oe. Ook al kunnen we dezelfde klinker produceren op iedere toonhoogte binnen ons bereik: de vocalen-“ladder” wordt niet bepaald door toonhoogte, maar door de klankkleur of timbre die we controleren met onze mond en strot. Dankzij die timbres komt de onzin-kreet tapis ridicule vrij dicht bij de intonatie van de vogel. Dichter in ieder geval dan mogelijk is met traditionele muzikale notatie op de notenbalk. Toegegeven: er is geen rechtvaardiging voor de t en p van tapis; ik had gewoon een woord nodig met de klinkers a-i.

“Tapis ridicule”, in drie versies.

Vogelzang, spraak en taal

spectrogram
Tapis ridicule (nr. 2 in de bovenstaande opname), spectrogram

Er zijn andere, meer wetenschappelijke en accurate manieren om vogelgeluiden te transcriberen. Ornithologen bestuderen de vogelzang meer met behulp van spectrogrammen dan op het gehoor. Ook al vormen ze een link tussen taal en vogelzang, de fonologische imitaties van vogelaars schijnen geen rol te spelen in het onderzoek naar de vogelzang en de menselijke taal, een tamelijk levendige tak van de biologie.

Ik put een deel van mijn informatie uit de wetenschappelijke bundel Birdsong, Speech, and Language (Bolhuis and Everaert, eds., MIT 2013). Ze verenigt pogingen van biologen en taalkundigen om te onderzoeken wat vogelzang en de menselijke taal gemeen hebben, en in het bijzonder, om gedeelde genetische mechanismen te vinden die eigenschappen van beide kunnen verklaren. Als de betreffende genen geërfd zijn van een voorouder die vogels en mensen gemeenschappelijk hebben, dan is dat zover terug in de evolutie dat die genen zeer wijd verbreid moeten zijn in het dierenrijk. En aangezien de meeste dieren zingen noch praten, kan de uitwerking van die genen niet overal dezelfde zijn, of aan de oppervlakte herkenbaar.

Er wordt op gewezen dat vogelzang, net als de menselijke gesproken taal, grotendeels is aangeleerd. Zangvogels zijn niet genetisch geprogrammeerd om hun specifieke liederen te zingen; ze zijn geprogrammeerd om ze te leren door imitatie. En dit kan alleen op een bepaalde leeftijd geschieden, net als bij mensenkinderen die leren spreken. Dit vermogen om vocaal gedrag aan te leren is verrassend zeldzaam in het dierenrijk. Het plaatst ons met de zangvogels in het curieus samengestelde gezelschap van vleermuizen, dolfijnen en walvissen, zeehonden en zeeleeuwen, en olifanten. Zonder onze naaste verwanten, de mensapen, waarbij het repertoire aan vocale signalen aangeboren schijnt te zijn.

Vogelzang, spraak en taal: wat daarbij opvallend ontbreekt is de muziek, die in dit boek nauwelijks genoemd wordt en niet in het register is opgenomen. Dat is verwonderlijk, als we bedenken dat de “zang” van de zangvogels toch juist dat lijkt te zijn, zang, die sterk verschilt van de signalen die ze gebruiken voor simpele boodschappen (zoals het tsjak-ak-ak en plie-plie-plie van de merel). De aubade en serenade van de merel klinken meer als een muzikaal recital, een vocaal vertoon, dan communicatie in strikte zin. De zang heeft ongetwijfeld een functie – het markeren van het territorium, en het verleiden van vrouwtjes. Maar dat laat ruimte genoeg voor esthetische waarden, aandacht voor de kwaliteit van de zang. De complexiteit, we zouden haast kunnen zeggen artisticiteit ervan is een factor in de seksuele selectie. Vrouwtjes geven de voorkeur aan competente zangers. En hoeveel menselijke zangers (M/V) danken hun populariteit aan hun seksuele potentie, uitgestraald door de klank van hun stem?

Is vogelzang muziek?

De vraag is vogelzang muziekis een geliefde, maar tamelijk misleidende formule, die het zicht ontneemt op een meer interessant en uitdagend vraagstuk, wat vogelzang en muziek gemeen hebben – op het punt van evolutionaire oorsprong, in hun gedragsaspecten, en in hun formele kwaliteiten. (De talloze muzikale imitaties van vogelzang, van Janequin tot Messiaen en daarna, zal ik nu buiten beschouwing laten).

In haar meest botte vorm is deze vraag eenvoudig te beantwoorden. Maken vogels muziek? Misschien, maar dan wel vogelmuziek. Geen muziek voor ons.

De opwinding die die vraag soms teweegbrengt onder vogel- en muziekminnaars is waarschijnlijk te verklaren uit het feit dat er al gauw sentimentele en ethische waarden binnensluipen in de discussie. Alsof de ontkenning dat vogelzang muziek is, getuigt van een gebrek aan liefde en respect voor vogels en muziek.

De vreugde die ik voel wanneer ik temidden van een vogelkoor wakker wordt maakt hun zang voor mij nog geen muziek. Maar het staat ieder vrij te bepalen wat hij of zij muziek noemt. Het begrip kent geen vaste grenzen. Sommige dingen zijn meer typisch muziek – een symfonie van Mozart in de concertzaal, een popsong op de radio. Maar er zijn allerlei randgevallen waarbij de vraag muziek of geen muziek? niet zo eenvoudig beantwoord kan worden. Bijvoorbeeld: de klokslagen die de uren markeren, ringtones, militaire en jachtsignalen, de kreten van marktventers.

Maar dat behoort alles tot menselijke activiteiten. Voor we het domein van de muziek uitbreiden tot vogelzang (en misschien walviszang), moeten we ons afvragen wat de context bepaalt waarbinnen we spreken van muziek.

Dat is niet een schimmige verzameling criteria waaraan muziek zou moeten voldoen. Het is de menselijke muzikaliteit, ons aangeboren muziek-vermogen, dat biologisch bepaald is, complex, en als geheel uniek in het dierenrijk. Die muzikaliteit omvat onder meer een verfijnd vermogen toonhoogten te onderscheiden, met een voorkeur voor bepaalde typen toonladders (zoals de pentatonische ladder en de majeurladder). Ze omvat ook een biologisch uitzonderlijke zin voor tijdsordening, gebaseerd op het gevoel voor een puls of beat (“entrainment“), dat even belangrijk is voor beweging en dans als voor muziek.

Geordende tonen en maatgevoel. Ook al hebben compositiepraktijken van de twintigste eeuw ervoor gezorgd dat ons begrip van muziek behoorlijk is opgerekt, zodat we muziek erkennen die noch het een heeft noch het ander, dan nog maken deze biologisch uitzonderlijke vermogens deel uit van onze muzikaliteit, die de ontwikkeling van de muziek eeuwenlang heeft beheerst.

Het is moeilijk of onmogelijk om met de vogels te zingen en te dansen (ook al is er een uitzonderlijke vogel die met òns danst). Vogels zingen niet volgens toonladders (althans niet voor zover we hebben kunnen vaststellen), hun ritme is zo-zo, en ook produceren de meeste virtuoze zangvogels, zoals de merel, alleen korte flarden, onderbroken door lange stiltes, herhaald en gevariëerd volgens onduidelijke patronen. Onze goedkeuring of afkeuring raakt ze niet. We zijn niet in staat om hun zang te horen zoals zijzelf, niet eens fysiologisch: hun klankfiguren zijn veelal te snel voor ons om goed te kunnen onderscheiden. Ze zijn ons wezensvreemd.

We zijn veelal geneigd ons zangvogels voor te stellen als schattige, haast aaibare schepseltjes. Hun welluidende zang draagt daar zeker toe bij. Maar als je een merel ziet rondhippen op het gras, op jacht naar wormen, is het niet moeilijk hem te herkennen als het reptiel, of beter, de dinosaurus die hij eigenlijk is.

Er is wel opgemerkt dat merels een hang hebben naar vernieuwing: een veel gezongen motief geldt op den duur als “afgezaagd” en wordt vervangen door een ander. Ik ben benieuwd wanneer mijn achtertuin-reptiel zijn deuntje gaat vernieuwen.

Share