Muziek van het spinnewiel

ENGLISH

Ook in de podcast Voorbij de oren: Muziek van het Spinnewiel.
Dit is een verkorte versie van mijn artikel Purring and Whirring: Music of the Spinning Wheel

19th century music title pages

Het onderwerp kwam vele jaren geleden bij me op, toen ik als student-assistent een grote hoeveelheid 19e-eeuwse muziekdrukken moest sorteren. Het was het restant van de winkelvoorraad van de Utrechtse muziekhandel Rahr, die nadat de winkel rond 1950 was opgeheven, enkele decennia lang was blijven liggen op de zolder van het pand Achter St. Pieter 4. Tussen de gangbare titels van ‘karakterstukken’, titels als La source, Rêverie, Les sylphes, was er een aanzienlijk aantal dat verwees naar het spinnen: Spinnerlied, Die Spinnerin, Am Spinnrad, Chanson du rouet, La fileuse, enz. Meestal ging het om tweederangs salonmuziek voor piano. Net als bij de huidige commerciële popmuziek is de visuele presentatie (toen titelpagina’s, nu video) vaak opvallender dan de muziek zelf.

De titels van deze stukken worden doorgaans gerechtvaardigd door een bepaald soort pianistische figuratie, die het spinnen of het draaiende spinnewiel moet oproepen. Wat mij destijds interesseerde was de vraag of dergelijke patronen een herkenbaar type vormen; hoe succesvol ze zijn als ‘voorstelling’ van het spinnen; en waarom deze voorstelling dan wel of niet werkt.

Gezoem, gesnor, gebrom, geknor…

Naast pianomuziek is er een groot (en misschien wel groter) aantal vocale composities die met het spinnen te maken hebben. Sommige daarvan roepen het spinnewiel op, andere niet. Veel van de teksten zijn volksliederen of pseudo-volksliederen. De vroegste muzikale voorstellingen van het spinnewiel, voor zover mij bekend, zijn twee liederen van Johann Abraham Peter Schulz, opgenomen in zijn Lieder im Volkston (deel 3, 1790): Spinnerlied (op tekst van G.A. Bürger), en Die Spinnerin (van J.H. Voß). De teksten vertegenwoordigen twee verschillende poëtische types: het eerste is een vrolijk werklied, geschikt om te worden gezongen door een groep vrouwen in koor; het andere is de droevige monoloog van een eenzame spinster.

Spinnen is werk dat doorgaans door vrouwen werd gedaan, en het werd daarom geassocieerd met traditionele vrouwelijke deugden – gezien vanuit overwegend mannelijk perspectief. Volgens Bürgers Spinnerlied lokt een meisje door vlijt, vroomheid en bescheidenheid te tonen goede huwelijkskandidaten (Fleißig, fromm und sittsam seyn / Locket wackre Freyer). De omgeving waarin jonge vrouwen hun ijver konden tonen was de Spinnstube; het Duitse woord betekent zowel het vertrek waarin gesponnen wordt, als de samenkomst zelf. Dit was ook een plek waar men zich tijdens het werk kon vermaken van verhalen en liedjes, en de aanwezigheid van jonge mannen bood kansen op verkering. Zoals verwacht mag worden, liep dat nogal eens uit op rumoerige feestjes; maar die kwalijke reputatie van de Spinnstube schijnt geen thema te zijn geweest voor poëzie en drama.

In een ruimte met meerdere spinsters zorgt het geratel van de spinnewielen, vermengd met gezang en andere geluiden, voor een bijzondere sfeer. Goethe heeft dit beschreven als een soort soundscape, of liever sound interior:

In zo’n omgeving drongen zich nieuwe en eigenaardige gevoelens aan mij op; de draaiende wielen hebben een zekere zeggingskracht, de meisjes zingen psalmen, en minder vaak ook andere liederen. Sijzen en puttertjes in opgehangen kooien kwetteren door alles heen, en men kan zich moeilijk een levendiger bedrijf voorstellen dan  in een vertrek waar enkele spinsters aan het werk zijn. (Goethe, Wilhelm Meisters Wanderjahre, Romane und Novellen III, DTV 1994, blz. 342; mijn vertaling).

Ook in Bürgers Spinnerlied wordt allereerst gesproken van het geluid van de spinnewielen: Hurre, hurre, hurre! Schnurre, Rädchen, schnurre! (Het inmiddels verouderde hurren is een soortgelijke onomatopee als het Engelse hurrying, en heeft zowel betrekking op geluid als op snelheid).

Zowel in het Spinnerlied als in Die Spinnerin probeert Schulz iets van de rusteloosheid van het spinnewiel te suggereren door het gebruik van een trillerfiguur in de begeleiding. Het is een eenvoudig patroon, heel gangbaar in de klaviermuziek: de triller wordt gespeeld met duim en wijsvinger van de linkerhand, waarbij de andere vingers vrij zijn om basnoten te spelen. In het Spinnerlied gebeurt dit op de meest primitieve manier; in Die Spinnerin is het iets geraffineerder. Ook hier is er een triller in de linkerhand, maar deze gaat rusteloos omhoog en omlaag, en wordt onderbroken overeenkomstig de tekst (mein Spinnerädchen will gar nicht gehn / Mijn spinnewiel wil maar niet draaien). De gedachten van de spinster zijn ver van haar werk, want zij denkt aan de onbekende jongeman met wie zij “in de klaver heeft liggen rusten”.

J.A.P. Schulz,Die Spinnerin, opgenomen met een gedigitaliseerde pianoforte van Johann Schanz (1790), Lodewijk Muns, april 2023.

Hoewel het ‘snorrende’ geluid van het spinnewiel een veel voorkomend poëtisch en muzikaal motief is, lijkt de rustige monotonie ervan niet bijzonder gewaardeerd te zijn – juist een kwaliteit waarom spinnen tegenwoordig wordt geprezen als een ontspannende, zelfs therapeutische activiteit, ook voor de toeschouwer. Op het internet zijn talloze homevideo’s te vinden van ratelende spinnewielen en niets anders (“only spinning – no talking”). In tegenstelling tot deze moderne spinsters vindt de eenzame spinster uit de poëtische traditie geen troost in haar werk. Haar gedachten dwalen af, ze treurt  om een vergeefse liefde, of laat zich meeslepen door erotische fantasieën. Verleiding, verlaten zijn, en ongewenste zwangerschap zijn terugkerende thema’s.

Een paar jaar later dan Schulz heeft Haydn Bürgers Spinnerlied gecomponeerd als solo met koorrefrein in zijn oratorium Die Jahreszeiten (Winter, Nr. 34, 1801). In de orkestbegeleiding introduceert Haydn een andere soort figuratie: een ‘roterende’ akkoordfiguur, die (met enige goede wil) doet denken aan de draaiende spinnewielen in de Spinnstube. Daaraan voegt hij een bourdon-bas toe, een muzikaal patroon dat doorgaans een rustieke setting suggereert. Het zijn deze drie elementen die we terugvinden in de meeste ‘spinnewielmuziek’: de trillerfiguur of het roterende akkoord, die elk kunnen worden gecombineerd met een bourdon-bas.

Spinners
Links: In het anonieme volkslied Mägdelein in dunkler Nacht spoort een moeder haar dochter aan om door te gaan met spinnen: “Morgen komt je minnaar”. Het meisje bleef draaien, tranen stroomden, haar minnaar kwam nooit opdagen. Het lied was in het begin van de 20e eeuw nog populair als motief voor ansichtkaarten. Rechts: Een ongewone variatie op het thema van de dromende spinster: niet langer eenzaam, fantaseert ze over een kind (Duitsland, ca. 1870?).

Gretchen am Spinnrade en daarna

De paradigmatische belichaming van de eenzame spinster is Gretchen in Goethes Faust. Net als de naamloze spinster van Voß is zij een meisje dat naar haar minnaar verlangt, waarbij haar gedachten afdwalen van haar eentonige arbeid. Goethes tekst verwijst niet naar het spinnewiel, behalve in de regie-aanwijzing “Gretchen aan het spinnewiel, alleen”, die Schubert als titel gebruikte voor zijn compositie, Gretchen am Spinnrade (1814). Het is in feite een dramatische monoloog, waarin de handeling hoorbaar gestalte krijgt in de muziek. Hoewel we ook de begeleiding in Schulz’ Spinnerin als dramatisch element kunnen opvatten, blijft dit binnen de grenzen van het traditionele lied (de muziek wordt herhaald voor de resterende twee strofen). Bij de weergave van het spinnen in de pianopartij heeft Schubert ongetwijfeld elementen overgenomen uit Haydns Spinnerlied, maar deze worden volledig getransformeerd in de stroom van Gretchens emoties.

Franz Schubert, arr. Franz Liszt, Gretchen am Spinnrade, Lodewijk Muns, mei 2023

In de hele negentiende eeuw vinden we variaties op beide poëtische thema’s, Spinnerin en Spinnerlied, en op de beide muzikale types, de triller en het roterende akkoord. Mendelssohns Lied ohne Worte op. 67 nr. 4 (1843) is waarschijnlijk het meest geslaagde van de spinliederen in het salongenre. Hoewel de overgeleverde titel Spinnerlied niet door de componist zelf is gegeven, deelt het stuk genoeg kenmerken met de voorgaande voorbeelden om deze te rechtvaardigen. Opmerkelijk is de transformatie binnen de openingsmaten: een rotatie die eruit ziet en klinkt als een gekrompen versie van Gretchens spinnewiel gaat over in een trillerfiguur. Op grond van zijn textuur zou men zich het stuk kunnen voorstellen als begeleid vrouwenkoor.

Uit dezelfde tijd (1842/43) dateert het koor van spinsters in Wagners opera Der fliegende Holländer. Dit is (voor zover ik weet) de tweede uitbeelding van een Spinnstube in de operageschiedenis; de eerste was Schuberts Fierrabras, die echter pas in 1897 voor het eerst werd opgevoerd. Wagners tekst lijkt te zijn geschreven naar het voorbeeld van Bürgers Spinnerlied, met een aansporing aan het spinnewiel (Summ und brumm, du gutes Rädchen) en toespelingen op huwelijkskandidaten in de dialoog. Tegelijkertijd introduceert Wagner het motief van de eenzame spinster, of eigenlijk niet-spinster, belichaamd in Senta, die afzijdig zit te staren naar het portret van de geliefde van haar dromen, de verdoemde Hollander.

Wagners Spinnerlied is in wezen van het triller-type, maar de gelaagde textuur levert een complexer klankbeeld op. Deze bevat een complementair ritme van de bassen en tweede violen, die het patroon van de onderbroken triller produceren, ditmaal in triolen; dit suggereert een continue mechanische beweging, zo niet rotatie. Mede dankzij deze eigenlijk pianistische figuur kon Liszt het koor transformeren tot een zeer effectieve virtuoze pianosolo.

Franz Liszt, Spinnerlied aus Der fliegende Holländer von Richard Wagner, Lodewijk Muns, april 2023.

Eenmaal gangbaar, werd de titel Spinnlied of Fileuse vrij toegepast op een beperkt aantal verwante muzikale figuren. Het idee van een licht rumoerige, continue beweging kon als uitgangspunt dienen voor de schepping van nieuwe muzikale bewegingspatronen en voor verkenningen in klankkleur. Spinnewielen hebben de reputatie een ‘snorrend’ geluid te maken, maar het is twijfelachtig of de componisten van dergelijke stukken meer wisten van het geluid en de werking van het spinnewiel dan dat. Uiteindelijk kan het dubbelzinnig blijven wat er precies wordt voorgesteld, of het muzikale patroon is bepaald door het geluid van een of meer spinnewielen, of door de beweging die dat geluid voortbrengt; en of de beweging die de luisteraar ervaart een specifiek draaiende is, of alleen maar continue, mechanische voortgang.

Zie de meer uitgebreide bespreking in Purring and Whirring: Music of the Spinning Wheel.