Jozua 10:13

De pinksterpreek van dominee Jan Overheere had wat consternatie gewekt in de gemeente. Gesprekken tussen de dominee, ouderlingen en verontruste gemeentleden hadden weinig gedaan om de onrust weg te nemen. Voor sommigen leek het of hij de draad kwijt was; maar was het de draad van zijn betoog, of de draad van zijn geloof?

Toen hij preekte over Jozua 10:13 voelde hij zich blijkbaar niet vrij te improviseren. Minder spontaan dan anders sprak hij vanuit de tekst die hij voor zich had.

Zusters en broeders, geliefde gemeente van onze Heer Jezus Christus,

de tekst van vandaag plaatst ons voor veel vragen. Jozua is een boek vol sterke verhalen, maar het is niet makkelijk hierin inspiratie te vinden voor een bemoedigende preek. Het is een boek waarvan we als christenen niet goed weten wat we ermee aan moeten. Het zorgt voor onenigheid onder de kerkgenootschappen, en voor sommigen een crisis in het geloof.

En de zon stond stil en de maan bleef staan, tot Israel zijn vijanden had afgestraft.

Het eerste probleem met deze tekst is dat van een voor ons ongeloofwaardig, en eigenlijk ongewenst wonder. Want met hedendaagse kennis moet je er niet aan denken dat de omloop van de aarde rond de zon verstoord zou worden. En waarvoor? Een slachtpartij!

Zoals het er staat is het een stukje sterke retoriek, en dat komt ook door de gevarieerde herhaling in die zin. “De zon stond stil en de maan bleef staan.” Had er gestaan: de zon en de maan bleven stilstaan, dan was het veel minder effectief geweest.

Die bewoording correspondeert met het gebed van Jozua, dat met dit wonder vervuld wordt:

In aanwezigheid van Israel sprak hij:
“Zon, sta stil boven Gibeon,
maan, blijf staan boven de vlakte van Ajjalon.”

Ik noem het ‘gebed’, en de Bijbel ook, maar het lijkt eerder een bezwering: het lijkt of hij voor die kosmische ingreep God niet eens hoefde te raadplegen.

Deze hele passage wordt vervolgens gepresenteerd als citaat, een citaat uit het Boek van de oprechte – een boek waar we verder niets van weten. Het is wel een merkwaardig en zeldzaam geval dat de Bijbel expliciet teruggaat op een ander, ouder boek, en zo duidt op haar eigen context – als een boek dat zijn vorm en bestaan mede dankt aan andere boeken. In die zin is elk boek een ‘boek der boeken’.

Misschien moeten we dat wonder van stilstaande hemellichamen niet letterlijk nemen. Is het retoriek, en niets meer dan retoriek?

Er zijn van die dagen dat je zo intens bezig bent dat ze langer lijken dan andere dagen. Zo intens was het Israelische leger bezig zijn vijanden af te straffen dat er haast geen einde leek te komen aan die dag. ‘Het was alsof de zon en de maan stilstonden’, en dan laat je ‘alsof’ weg. Zoals men ook wel zegt: de tijd stond even stil.

Daarmee zouden we eenvoudig kunnen afrekenen met het eerste probleem van die passage: het kosmische wonder. Zo kunnen we het rationaliseren. Maar dan zijn we wel bezig de tekst te vervormen naar onze eigen wensen. De tekst vervolgt:

Het is voor noch na die dag ooit voorgekomen dat de HEER op die manier gehoor gaf aan het gebed van een mens, maar de HEER streed dan ook voor Israel.

En daarmee lijkt de auteur te willen zeggen: reken maar dat dit echt gebeurd is.

Dat is het eerste probleem met deze tekst – dat van een voor ons ongeloofwaardig, en onwenselijk wonder. Nog veel neteliger is het ethische vraagstuk waarmee dit verhaal ons confronteert. Want wat gebeurde er die dag?

Jozua levert slag tegen de Amorieten, een van de volkeren die Israel aantreft nadat ze de Jordaan zijn overgestoken. God heeft Israel de overwinning beloofd, en grijpt zelfs direct in: Hij laat het hard en wonderbaarlijk selectief hagelen – op de Amorieten. “Er stierven meer soldaten door die hagelstenen dan door de zwaarden van de Israelieten.”

Op dezelfde dag neemt Jozua ook nog de stad Makkeda in en doodt er alle inwoners. “Hij bracht iedereen die er woonde om, hij liet geen mens in leven,” staat er nadrukkelijk. En zo gaat het met de ene na de andere nederzetting. “Hij liet geen mens in leven, hij bracht iedereen om”, het wordt herhaald als een refrein.

Wie waren die vijanden? En waaraan hebben ze deze afslachting verdiend?

De oorlog die Israel hier voert is geen verdedigingsoorlog. Het gaat om verovering, de verovering van Kanaän, een land dat voor de komst van de Israelieten bewoond wordt door een veelvoud van bevolkingsgroepen, grotendeels georganiseerd in stadstaatjes. Deuteronomium 7 noemt zeven volkeren: de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. Op grond van Jozua 11 en 13 kunnen we daar nog aan toevoegen: de Enakieten, Awwieten, Giblieten en Filistijnen. Exotisch klinkende namen voor verdwenen samenlevinkjes waar me maar weinig van weten.

God heeft Israel dit land beloofd op grond van de bijzondere relatie die Hij heeft met dit volk, Zijn ‘uitverkoren volk’. Die relatie is vastgelegd in een verbond: Israel eert en gehoorzaamt God de Heer als enige god; de Heer van zijn kant garandeert Israel een passend grondgebied. Maar ze krijgen het niet cadeau: ze moeten het eerst veroveren. En daarbij – zo wordt nadrukkelijk gestipuleerd – moeten ze rigoreus, compromisloos, en ook zonder medelijden te werk gaan. Bevolkingen moeten worden uitgeroeid, woonplaatsen en culturen weggevaagd.

Het Beloofde Land: het klinkt fraai, ook door de alliteratie in het Nederlands; maar dan wel vanuit een bepaald perspectief. Ik herinner me de geschiedenislessen op school: het was de tijd dat geschiedenis van Nederland nog ‘vaderlandse geschiedenis’ heette. Rond de verhalen over ondernemende zeevaarders en andere nationale helden – onze Nederlandse Jozua’s – hing een soort warm wij-gevoel. Het was ook het gevoel dat God en het gelijk doorgaans aan ‘onze’ kant waren.

Dat gevoel strekte zich ook uit over de bijbelse geschiedenis, de geschiedenis van ‘het volk Israel’, als Gods uitverkoren volk de voorloper van ons als gemeenschap van christenen. De verovering van Kanaän werd niet als agressie gezien, omdat het immers ‘ons’ beloofd was door de Heer zelf. Zagen die Kanaänieten dat niet in?

Ze zagen het misschien in, in zoverre dat zij net als de Israelieten geloofden dat overwinnaars altijd een sterkere god aan hun zijde hebben. En volgens sommige theologen is dit de context waarin we dit moeten lezen, een context waarin het recht dat van de sterkere was, althans van de sterkere god. Als we het boek Jozua lezen, moeten we dat niet doen binnen het perspectief van onze moderne humanistische ethiek, ons gevoel voor recht en onrecht.

Maar intussen: we verwachten van de Bijbel toch wat beters dan ‘zo ging dat toen’. Alsof het gaat om willekeurig welke kroniek! Als christenen nemen we aan dat Gods plan doorsijpelt in dat menselijke en gecontextualiseerde verhaal. Maar wat is dat dan voor plan – een plan waarin het doel alle middelen heiligt? Is Gods plan genocide?

Je kunt alle cultuurhistorische verschillen meewegen, maar uiteindelijk blijft een deel van de context dezelfde. Het gaat over mensen op deze aardbol, over een plaats om te wonen, het kiezen van een levenswijze. Mensen zijn mensen. Oorlog is oorlog. Moord is moord. Hoe kunnen we het boek Jozua dan lezen zonder afschuw?

Theologen zoeken naar antwoorden op dergelijke vragen, en soms verbeelden ze zich die gevonden te hebben. Ik heb die illusie niet.

In plaats daarvan vraag ik om twee minuten stil gebed: voor de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten, de Jebusieten, de Enakieten, de Awwieten, de Giblieten en de Filistijnen.

Amen.