Topdenken

Aad Gooidiep blogt soms over Nederlandse toestanden. Zoveel blijkt al uit dit blog.
En wat uit zijn blog niet blijkt, daarover wil hij blijkbaar niets kwijt.

Een omineus woordje — “top”. Al lang gangbaar in combinaties waarbij het object logischerwijs in een ranglijst geplaatst kan worden — tophits, ‑sporters, ‑tarieven — lijkt het de laatste jaren steeds meer in het spraakgebruik voort te woekeren. Ook waar zo’n rangorde weinig evident is weet het woord zich vast te klitten. Bij beroepen:  topadvocaten, ‑bankiers en bestuurders; topwetenschappers, ‑kunstenaars, ‑acteurs en ‑musici; topkoks, ‑bloggers, ‑fokkers, ‑dokters, ‑criminelen, zelfs topamateurs  en topvrijwilligers. Concrete en minder concrete objecten: topaanbiedingen, ‑bloemen, ‑bestemmingen, ‑dorpen, ‑musea en ‑monumenten; topscholen en topprogramma’s.

Ondanks dat dergelijke combinaties willekeurig en schier eindeloos te maken zijn (topamateursymfonieorkesten) zijn ze in groten getale opgenomen in de Woordenlijst der Nederlandse Taal, dat onderaan het alfabet ook topwijven legaliseert, maar tophoeren overslaat — met ruim 20.000 googlehits (enkel- en meervoud) toch een niet te versmaden bestanddeel van het Nederlands spraakgebruik.

Topfilosoof vind ik ook niet terug in de lijst, maar dat oogst ook maar een karige 1119 hits in Google. Het is misschien tekenend dat de eerste plaats wordt ingenomen door een geval van plagiaat (“Britse topfilosoof blijkt letterdief”).

Waarom vind ik dit topdit en topdat zo ergerlijk? — Omdat het, vermoed ik, een reflectie is van het toenemende topdenken. Niet het produceren van topgedachten, maar het primitieve denkbeeld dat alles ondergebracht kan worden in een simpele ranglijst. Waarbij een klein segment distinctief superieur is aan de rest.

En daarbij gaat het uiteindelijk altijd om geld of mediabekendheid. Want wat anders biedt ons een schaal waarin alle waarden uitgedrukt kunnen worden? — Een schaal waarbij de top steil de hoogte in schiet, want zoals kapitaal kapitaal genereert, genereert bekendheid bekendheid.

Daarom lijkt dit topdenken een begeleidend symptoom van een van de meest verontrustende kenmerken van deze tijd: de groeiende sociaal-economische ongelijkheid. Met een zich tot in het absurde verrijkende top 1% tegenover een stagnerende middenklasse en toenemende armoede. En van de gedachte dat dit normaal, gerechtvaardigd of acceptabel is.

“Topeconoom” Thomas Piketty spreekt in Capital in the Twenty-First Century (Cambridge MA, 2014) van meritocratisch extremisme, oftewel “the apparent need of modern societies, and especially US society, to designate certain individuals as ‘winners’ and to reward them all the more generously if they seem to have been selected on the basis of their intrinsic merits rather than birth or background” (p. 334). De moderne meritocratische samenleving is “much harder on the losers” dan de even non-egalitaire 19e eeuw, “because it seeks to justify domination on the grounds of justice, virtue, and merit, to say nothing of the insufficient productivity of those at the bottom” (p. 416).

Je hebt een top, en je hebt sukkels, met weinig ertussenin, en het onderscheid wordt bepaald door verkoopcijfers, beursnotaties, veilingrecords en vermogen. Ogenschijnlijk democratisch misschien — iedereen mag proberen zichzelf te verrijken — maar in wezen totalitair, door de explosieve toename van opgehoopt vermogen/populariteit aan de top.

In een democratisch ingerichte samenleving bepaalt niet een collectieve ranglijst, maar iedereen zèlf wat “top” is, en welke waarden zijn of haar rangorde bepalen.