De gemeenschap

Aad Gooidiep blogt soms over Nederlandse toestanden. Zoveel blijkt al uit dit blog.
En wat uit zijn blog niet blijkt, daarover wil hij blijkbaar niets kwijt.

Een van de meest populaire woorden in het politieke jargon is nog steeds gemeenschap. De Turkse, Marokkaanse, islamitische, joodse gemeenschap“Dé Joodse gemeenschap bestaat niet,” stelt een historicus. Dat zou een open deur moeten zijn. Zoals er ook geen islamitische of christelijke gemeenschap bestaat.

En de homogemeenschap (93.800 Google hits)? De absurditeit van het begrip wordt duidelijk als je er de heterogemeenschap (350 hits) tegenover zet. Wat verbindt mij, heteropersoon, met een willekeurige andere heteropersoon? Niets dan het feit dat onze sexuele interesse uitgaat naar het andere geslacht.

De zwarte gemeenschap (11.400). De blanke gemeenschap (1680). De toepasselijkheid van het gemeenschapsbegrip lijkt toe te nemen naarmate die groep kan worden afgezet als minderheid tegen een meerderheid.

Met het cultiveren van dat gemeenschapsdenken en het bijbehorende gemeenschapsgevoel groeit een ingebeelde, versmalde identiteit. Zo ik iets ben, ben ik … een wereldburger? man? academicus? blogger? wandelaar? atheïst uit gereformeerd milieu? …

Ook de “nieuwe voorman van een verlicht conservatisme”, Sybrand Buma, predikt “de gemeenschap”. Een romantisch geïdealiseerde christelijke traditie van volk en vaderland, dat is wat Buma in stelling brengt tegen wat de samenleving ontwricht, individualisme. Alsof niet boze en afgunstige “gemeenschappen” de splijtzwammen zijn, maar kritische en onafhankelijke burgers.

De gevaarlijke absurditeit van het gemeenschapsdenken is een jaar of tien geleden aan de kaak gesteld in het boekje Identity and Violence van de econoom Amartya Sen. Ondanks een teveel aan herhalingen een helder en stimulerend betoog, en voor een tientje een betere besteding dan die lezing van Buma.

Sen verzet zich tegen unieke classificaties van individuen, en het daaraan ontleende bekrompen identiteitsbegrip. Iedereen kan op oneindig veel manieren geclassificeerd kan worden, en het is een kwestie van keuze welke daarvan we willen benadrukken, in welke situatie.

There are a great variety of categories to which we simultaneously belong. I can be, at the same time, an Asian, an Indian citizen, a Bengali with Bangladeshi ancestry, an American or British resident, an economist, a dabbler in philosophy, an author, a Sanskritist, a strong believer in secularism and democracy, a man, a feminist, a heterosexual, a defender of gay and lesbian rights, with a nonreligious lifestyle, from a Hindu background, a non-Brahmin, and a nonbeliever in an afterlife (and also, in case the question is asked, a nonbeliever in a “before-life” as well). […] There are two distinct issues here. First, the recognition that identities are robustly plural, and that the importance of one identity need not obliterate the importance of others. Second, a person has to make choices—explicitly or by implication—about what relative importance to attach, in a particular context, to the divergent loyalties and priorities that may compete for precedence.
Amartya Sen. Identity and Violence: The Illusion of Destiny (Penguin Books 2007, 19)

Woorden maken werkelijkheid. Hoe meer mensen zich laten classificeren, qua etniciteit, godsdienst, seksuele geaardheid, of wat dan ook, als behorend tot een “gemeenschap”, hoe meer ze zich als gemeenschap zullen gaan voelen. Op grond van lotsbestemming, meer dan eigen keuze.