Heer Bommel graait naar de macht

Aad Gooidiep blogt soms over Nederlandse toestanden. Zoveel blijkt al uit dit blog.
En wat uit zijn blog niet blijkt, daarover wil hij blijkbaar niets kwijt.

Geen geboren redenaar, en ook de praktijkervaring heeft weinig geholpen. ’t Zijn ook lastige zinnen die hij op papier heeft gezet. En als het publiek in dat zaaltje in Zeist die onderbreekt met lauwe applausjes en vulgaire kreten is het moeilijk de draad vast te houden.

“… de brokstukken van wat ooit de grootste en mooiste beschaving was die de wereld ooit heeft gekend.”

Applaus, geroep. Zijn gehoor zoekt Wildersmomentjes, maar “minder Marokkanen” is toch een betere uitlokker dan brokken beschaving. De spreker begint maar weer opnieuw.

“De grootste en mooiste beschaving dus die de wereld ooit heeft gekend…”

Door haast ieder woord te benadrukken probeert hij zijn verhaal overtuigingskracht te geven. Maar daardoor verliezen de zinnen hun contouren. Zou zijn Chopin ook zo houterig klinken?

Ongetwijfeld brengt Thierry Baudet een ander register binnen het extreem-rechtse populisme. Met zijn even hoogdravende als oubollige metaforen herinnert hij aan Olivier B. Bommel, zoals die wordt geciteerd op de achterflap van de Marten-Toonder-bundels.

“Als stil water zit men dikwijls vol, zodat de gedachten opgekropt naar de lippen wellen. Maar ach, wie begrijpt wat een diepgaand iemand eigenlijk bedoelt?” (aldus de heer O.B.B. te R.)

Maar T.H.P.B. is niet iemand die de gedachten stilletjes laat wellen. Hij spreekt zich uit, liefst ten overstaan van “het volk”. En ook deze verkiezingsspeech …

“bewijst ons […], dat zich ook in dit tijdsgewricht nog helden bewegen, die de vleugels naar alle kanten uitslaan en zodoende de aderen des volks warm doen lopen door hun groot denkraam.” (aldus de heer O.B.B. te R.)

Het denkraam van de heer T.H.P.B. is niet alleen groot (economie, kunst, onderwijs, de media passen er moeiteloos in, binnen één zin), het is ook flexibel. Een betere term is misschien “telescopisch”: de perspectieven kunnen naar believen over elkaar heengeschoven worden. De lange en de korte termijn, het brede en het smalle kader, de wereldgeschiedenis en de actualiteit.

Zo schuift het segment van de nationale politiek wrijvingloos over het segment van het provinciaal bestuur: een stem voor Forum voor Democratie in de provincie is een stem tegen de regering. Een misbruik van het democratisch bestel dat door rechts gretig wordt omarmd (“Na zo’n afstraffing kan het kabinet maar één ding doen: aftreden,” kopt Elsevier Weekblad).

Over de veronderstelde puinhopen van Rutte schuift telescopisch de Untergang des Abendlandes, de in brokken uiteenvallende westerse (“boreale”) beschaving. En een rondje provinciale verkiezingen wordt “een nieuwe renaissance”.

“Opnieuw gaan we voorbij onze horizonten reiken. We gaan een renaissance teweeg brengen, waarin ons zelfvertrouwen is hersteld […]. En zoals u weet doen we dat graag met alle andere partijen en bewegingen die ons willen versterken, want wij zijn het vlaggenschip van de renaissancevloot. (aldus de heer T.H.P.B. te Z.)

Willen de nieuwe Michelangelo, Leonardo, Erasmus maar vast opstaan? Of waren ze niet van de partij, in dat zaaltje in Zeist?

Met al zijn Bommeliaanse mixed metaphors verdient de heer T.B. niet de knuffelige sympathie die Marten Toonders trouwe lezertjes voelen voor hun held. Misschien dat sommigen dat charmant vinden, die schutterigheid en die eeuwig verongelijkte blik. Maar ze verhullen een arrogantie die iedere vorm van opportunisme ziet als legitiem. Het gaat nooit om het actuele vraagstuk (dat bleek al bij het Oekraïne-referendum), maar om de stem tégen de gevestigde “elite” en vóór de populist. Het “vlaggenschip” wil geen dialoog. Het wil alleen samenwerking met “partijen en bewegingen die ons willen versterken”. Resistance is futile.

Met O.B.B. (“zoals mijn goede vader zei …”) deelt T.B. een nostalgisch-utopische visie op leven en maatschappij (“ons verleden, onze feestdagen, onze helden”). Maar de boventoon is esthetisch. Telkens weer noemt hij in zijn opsommingen die lelijke architectuur – alsof ook díe het product is van een gebrek aan vaderlandsliefde. Maar ook een thema dat bij zijn kiezers ongetwijfeld zwaarder weegt, immigratie, is esthetisch gekleurd: zijn ergernis is dat deze “ons straatbeeld zo vertekent”.

Tegelijkertijd schuilt hier de engste verschuiving in T.B.’s telescopisch denkraam. “Wij” als dragers van onze “beschaving” (de FVD-stemmers?) zijn de culminatie van de evolutie. Andere beschavingen (of kiezers?) zijn daarmee impliciet een ontspoorde tak in dat biologisch proces, een inferieure species:

“Beste vrienden, wij zijn het product van 300.000 jaar evolutie. Wij hebben meerdere ijstijden overleefd, we hebben mammoeten gevloerd, wij zijn dragers, wij zijn erfgenamen van de grootste beschaving die ooit heeft bestaan. Wij dragen een unieke kracht en enkele tientallen jaren van indoctrinatie door de media en het onderwijs kunnen dat nooit begraven.”

Het laatste woord is aan de heer O.B.B.:

“Als men niets om het lijf heeft moet men zich niet op een voetstuk plaatsen, zei mijn goede vader altijd – en daar houd ik mij aan.”