Afspiegeling

“Waarom zouden rechters in hemelsnaam ‘herkenbaar’ moeten zijn voor ‘de hele bevolking’?” vraagt columniste Elma Drayer in de Volkskrant van 16 augustus. De aanhalingstekens binnen dat citaat verwijzen naar uitspraken van een D66-kamerlid (Maarten Groothuizen) en een oud-rechter (Leendert Verheij), die menen dat de rechterlijke macht een afspiegeling moet zijn van de bevolking. Omwille van de herkenbaarheid, omdat herkenbaarheid het vertrouwen in de rechtsstaat bevordert. En bij herkenbaarheid gaat het dan met name om de ethnisch-cultureel-religieuze achtergronden. Maar ook omdat een rechter met eenzelfde achtergrond (‘afkomst’) een verdachte beter begrijpt.

Drayer vindt dit “modieus geneuzel”, en daarin heeft ze, denk ik, groot gelijk. De rechter bekleedt een ambt, waarbij geslacht en afkomst irrelevant horen te zijn. “In de rechtszaal dient de mens als bij toverslag te verdwijnen achter het ambt – hoe ingewikkeld dat ook mag zijn,” aldus Drayer.

De absurde consequentie van deze gedachtentrant is dat straks Marokkaanse rechters over Marokkanen zouden moeten oordelen, Antillianen over Antillianen, enzovoort … en God verhoede dat een Marokkaan voor een Antilliaan zou staan!

“Juist de rechterlijke macht … zou zich verre moeten houden van de hedendaagse obsessie met identiteit,” zegt Drayer. Maar dan maakt ze een moeilijk navolgbare volte-face.

“Zelf kan ik maar één beroepsgroep bedenken waarvoor de afspiegelingseis volkomen terecht geldt: het parlement. Achter het concept van evenredige volksvertegenwoordiging schuilt immers de idee dat de Tweede Kamer het volk evenredig vertegenwoordigt. Dus zou je op het Binnenhof moeten terugzien dat de helft van de Nederlanders bestaat uit wezens van het vrouwelijk geslacht, dat zo’n 12 procent een migratieachtergrond bezit, en dat niet iederéén hoogopgeleid is of woont in het westen des lands.”

Maar waarom zouden die identiteitshokjes hier opeens wèl heilig zijn? Omdat het parlement vertegenwoordigt. Maar is dat hetzelfde als: afspiegelt?

Drayer verwijst naar een serie aanschouwelijke grafiekjes die de Volkskrant vorig jaar publiceerde. De bevolkingssamenstelling wordt vergeleken met die van de Tweede Kamer. Volgens een reeks criteria van grofweg opklimmende twijfelachtigheid: geslacht, provincie, leeftijd, opleiding, en afkomst (‘migratieachtergrond’).

Volgens het criterium provincie bijvoorbeeld bezetten de Zuid-Hollanders zestien zetels teveel. De categorie leeftijd kent gek genoeg geen ondergrens, met als gevolg dat de dertig-minners (inclusief zuigelingen) in dit plaatje 42 zetels tekort komen (“Je moet minstens 18 jaar zijn als Kamerlid en enige levenservaring is wel handig …”, tekenen de auteurs daarbij aan). Het ontbreekt schromelijk aan laagopgeleiden: het aantal mensen met alleen basisonderwijs zou van 0 naar 16 moeten. En dan afkomst: het aantal kamerleden met een ‘migratieachtergrond’ zou moeten toenemen van 13 naar 33. Maar daarbij moeten dan wèl de Marokkanen vijf zetels inleveren en de Turken twee.

Het meest heikele hokje is in de vergelijking niet opgenomen. Meest heikel, omdat dit een gespannen relatie heeft met seculier-democratische basisprincipes, maar tegelijkertijd wèl een expliciete factor is in de samenstelling van de Tweede Kamer: godsdienst.

Moeten niet ook de statistische verhoudingen tussen moslims, christenen, atheïsten, boeddhisten enzovoort afgespiegeld worden? Of die tussen Soennieten, Sjiieten, Rooms-Katholieken, Oud-Katholieken, Gereformeerden, Gereformeerden Vrijgemaakt, Remonstranten, Humanisten, Jehova’s Getuigen …?

Wanneer worden we als bevolking afgespiegeld? Laat een middelbaar opgeleide, agnostische oudere vrouw uit Groningen zich nog afspiegelen door een dertigjarige, hoger opgeleide, strikt ongelovige Friezin?

Het enige hokje dat telt is het hokje dat we rood maken.